Stelt u zich dit eens voor. Iemand heeft het idee om uit dingen die hier dankzij de zon gewoon uit de grond kunnen komen, eten te maken voor dieren. Hij of zij heeft een keertje ergens gehoord en ook gelezen dat dit best wel eens zou kunnen. En omdat wij met zijn allen eigenlijk toch gewoon in het bos wonen, dacht hij of zij dat er best genoeg ruimte is om heel veel dieren rond te laten lopen of te laten zwemmen. En als het dan nog dieren zijn die je kan opeten, dan heb je zelfs eten dankzij eten! En dit eten zou best wel eens verkocht kunnen worden aan mensen die wonen in landen waar ze niet zo makkelijk zoveel dieren rond kunnen laten lopen. Met het geld dat daarmee verdiend wordt zouden dan bijvoorbeeld medicijnen voor de dieren gekocht kunnen worden, onderzoek gedaan kunnen worden om een beetje meer variëteit aan te brengen in het eten dat verkocht wordt en doe eens gek: het geld dat overblijft zou opgespaard kunnen worden voor als de mensen die het eten kopen een dagje niet zoveel honger hebben.
Nou, zo een persoon gaat dan natuurlijk op zoek naar mensen die weten wat dieren lekker vinden en ook nog goed voor ze is. En vooral hoe je zulk eten uit de bodem kan laten komen. Zulke mensen vind je meestal in grote getale op iets dat een Universiteit heet of een onderzoeksinstituut. Jawel, die hebben wij ook hoor. Beetje rare naam heeft onze Universiteit, daarom noemen het ook niet. De mensen van de Universiteit of van het onderzoeksinstituut willen natuurlijk graag onderzoeken, daarvoor werken ze immers daar. Maar… onderzoek kost geld. En geld heeft de Universiteit nog haar onderzoeksinstituten niet, want ze moeten immers bezuinigen.
Voor het eten onderzoek moet onze onderneem-ster-in-de-maak dus eventjes wat centen ophoesten. Jammer genoeg is dat alleen spreekwoordelijk, dus een goede verkoudheid is niet de oplossing. Hoe verder dan? Zelf betalen? Dat wil hij of zij wel, maar ja het maandelijkse inkomen is helaas nodig voor het leven. En in de eeuwige durende importtijden zelfs voor overleven. Dus begint de zoektocht.
Als eerste natuurlijk naar de plek waar hij of zij de spaarcenten voor de oude dag of de studie van zoon- of dochterlief tegen kosten opslaat: de bank. Daar werd aandachtig geluisterd naar het verhaal, meteen gevolgd door de vraag “hoe meneer of mevrouw dacht het geld terug te betalen en wat voor onroerend goed meneer of mevrouw in bezit had om eventueel als onderpand te dienen.”
U begrijpt het al. De bank leent geen geld uit voor onderzoek. Dat levert immers niet meteen geld op, daarvoor moeten de resultaten uit dat onderzoek eerst worden toegepast in wat heet “een economisch rendabele toestand”. En toen hield het verhaal eigenlijk meteen op. Want lang zoeken leverde niet een zak met geld op zonder heel ingewikkelde en niet haalbare voorwaarden.
Let wel, een buitenlandse zak met geld. Want hier te lande is er alleen de Suriname Environment and Mining Foundation dat onderzoek financiert. Althans volgens haar doelstellingen. En eventueel onderzoek is ook nog alleen ter bevordering van de mijnbouw (waarschijnlijk in de breedste zins des woords te oordelen aan het lijstje van de onderzoekingen die zij gefinancierd heeft). Aan soortgelijk onderzoek op mijnbouwkundig gebied zoals onze entrepreneur in spe wilt laten doen is kennelijk geen behoefte. Anders zou het fonds natuurlijk overspoeld worden met mijnbouwkundige onderzoeksprojecten om zeg eens wat, een grondstoffen onderzoek te doen voor het opzetten van een eigenste glasindustrie. (Of bakstenen fabriek. Of keramiek. Of zeep. Of…wacht even: been there, done that. Historie, verleden tijd)
Maar goed, voor planten en dieren is er niet zoiets. Voor mensen ook niet, maar dat is een heel ander verhaal. Dus geen centen voor onderzoek, geen eten voor dieren, geen dieren die rondlopen en zwemmen, geen eten dat verkocht kan worden, en eigenlijk dus geen inkomen voor morgen.
Stel je eens voor. Laten wij eens gek doen en onze fantasie de vrije loop laten: het budget van de Universiteit is niet gekrompen maar juist aanzienlijk vergroot en het onderzoek is uitgevoerd, er is een heuse economisch rendabele studie gedaan en ook het onderpand gebed heeft een einde gekend want de overheid (niet lachen) was heel grif en snel met het verstrekken van de noodzakelijke landerijen. Dan wordt er natuurlijk weer naar de bank gegaan maar nu voor het echte werk. Er volgen van die lastige vragen over waarom er voor deze en die experts gekozen is, waarom deze en die machines, waarom aan die en die verkocht zal worden, waarom voer voor die en die dieren en niet voor die en die dieren, waarom zoveel, enz… Een tweejarige is er niets bij. Nadat al die waarommetjes naar tevredenheid zijn beantwoord en de bank eventjes alles nog eens zelf heeft laten controleren door haar ingehuurde expert, is er eindelijk geld beschikbaar en is de droom afgelopen en begint de werkelijkheid.
Een werkelijkheid die niet gestoeld is op grote warrige nog te maken plannen door mensen die dat nog nooit eerder met succes hebben gedaan en hoop op betere tijden, maar die bestaat uit innovatief bezig zijn, denken aan de dag van overmorgen en de bereidheid om daarvoor offers te brengen. Dat dieren eten uit eigen bodem kan er echt wel komen. Veel sneller en makkelijker dan wel eens gedacht wordt. En niet alleen dieren eten.
Onze bodem en onze mensen hebben nog veel meer te bieden aan elkaar en aan de wereld. Maar dan moeten wij wel ons denken en handelen veranderen. Ophouden te klagen.
Want daarmee is nog nooit een maag gevuld, wel de kassa van de apotheek.
Rogier I. Cameron
