Sranang Sani, a no mi sani

Verschenen op unitedmagazine.sr op 6 april 2016. Surinamers houden van alles dat Surinaams is, zolang het maar niet Surinaams is.

Een kennis van mij had een succesvol technisch adviesbureau in het Surinaams Paradijs, beter bekend als Nederland. Mensen die daar hebben gewoond en gewerkt weten uit ervaring dat “Holland a no Paradijs”. Maar Holland is ook geen Nederland wordt wel eens gezegd.

De kennis pakte een dag vrouw, kind en biezen om terug te keren naar het land vanwaar hij eens vertrokken was om in Nederland te gaan studeren. Studeren werd werk ervaring opdoen en werk ervaring opdoen werd carrière opbouwen, inclusief alles erop en eraan. Waarom hij het echte Paradijs verliet voor het Paradijs van de toekomstdromen, is voor velen nog steeds een raadsel. Waarschijnlijk besefte hij zich dat het zorgen voor je oude ouders toch een menselijke plicht is, waarvoor je bij het verzaken daarvan zou kunnen branden in de hel of iets dergelijks.

Alhier dacht hij dat het niet zo moeilijk zou moeten zijn om zijn kennen en kunde te gelde te maken. Dat was hem immers al een keer gelukt. En dat ook nog terwijl hij wat uiterlijke kenmerken betreft buiten de gangbare en wenselijke Algemeen Beschaafde Nederlandse criteria valt. Het te gelde maken bleek tegen te vallen. Opdrachten kreeg hij wel, maar betalen? Daar schijnen ze in dit landje toch enige moeite mee te hebben. Altijd was hij te duur, dan had hij maar beter moeten onderhandelen, dan waren ze toch niet zo tevreden over de resultaten, enz.. enz…

Op een dag werd hij gebeld door een collega uit Nederland, zo een echte ABN’er. Deze collega werd in het Nederlandse verleden wel eens door mijn kennis ingehuurd om de minder uitdagende opdrachten uit te voeren. Deze collega had een opdracht gekregen van een Surinaams bedrijf, en zou de opdracht graag in partnerschap met mijn kennis uitvoeren. Dat leek hem wel wat en de opdracht werd besproken. Al gauw bleek het dat mijn kennis niet lang tevoren zelf was benaderd voor het uitvoeren van de opdracht. Maar dat ging niet door, want hij was te duur. Toen het dus tijdens op de verdeling van de emolumenten aankwam, kwam spontaan zijn hele vocabulaire aan scheldwoorden tevoorschijn. Want het bleek dat werken voor zijn Nederlandse collega, hem het meervoudige zou opleveren dan wat hij het bedrijf in rekening zou brengen. En omdat mijn kennis geen dief van zijn eigen portemonnee is en begreep dat er kennelijk veel mensen zijn die graag veel meer betalen voor iets dat ze hier goedkoper kunnen krijgen, zolang het maar uit het buitenland komt, ontstond er een interessante samenwerking: hij gaat op zoek naar de opdrachten en de Nederlandse collega doet de offerten en ontvangt de centen. Twee betalen, één halen heet zoiets.

Fundamenteel is er iets verkeerds in onze maatschappij. We Love SU, maar o wee als je iemand aanspreekt op het gooien van de zoveelste fles, plastic zak of foambakje op straat. Dan krijg je het scheldwoorden alfabet op je af. We roepen Sranan Sani, Wi Sani maar worden boos als buitenlandse alternatieven niet meer geïmporteerd kunnen worden. We roepen al jarenlang dat er geïnvesteerd moet worden in geldverdienende sectoren, maar weigeren om behoorlijke investeringsvoorzieningen te treffen. Behalve als de investering van buiten komt. Want dan kunnen we gewichtig gaan “onderhandelen” om uiteindelijk met trots te kunnen zeggen dat wij flink mogen meebetalen (nee, niet mee doen, mee denken en mee beslissen) om letterlijk ons eigen goud uit de grond laten halen. We hebben een chronisch deviezen probleem maar drijven de kosten voor exporteurs op. Met als argument dat ze de vis maar duurder moeten verkopen en efficiënter moeten werken. Of niet moeten klagen, want ze verdienen meer dan genoeg.

In de tijd dat de Surinaamse wortels diep zaten in het Nederlandse voetbal vroeg een ABN’er mij eens gevraagd naar het niveau van het Surinaamse voetbal. Beschamend moest ik toegeven dat dit niet in verhouding stond tot de verwachting. Als reactie kreeg ik: “Goh, kennelijk presteren Surinamers toch het beste onder Hollands juk.” En volgens de ervaring van mijn kennis zou het zelfs iets erger kunnen zijn.

Wij zijn onafhankelijk in ons handelen en betalen onze eigen rekeningen. In ons denken zijn wij echter nog lang niet vrij.

 COLUMN: ROGIER CAMERON